maandag 6 augustus 2012

Koninginnenrit

Op woensdag 1 augustus 2012

Blik op het Comomeer vanuit ons appartement in Menaggio. Op de achtergrond de  bergen achter Varenna.

Voor me gaapt een rokend, slecht verlicht gat. Auto’s rijden er met hoge snelheid in en komen er met nog meer geweld uit. Wolken van uitlaatgassen achterlatend en een muur van lawaai verspreidend. Die tunnel, ook al is het de kortste weg van Lecco naar Bellagio, daar ga ik dus niet in. De herinnering aan de tunnels langs de westkant van het Gardameer, waar ik een paar jaar geleden rechtsomkeert maakte, staat in mijn geheugen gegrifd. Ik stond er doodsangst uit. Nee, ik rij er wel omheen.
Een uur klein uur later sta ik opnieuw voor dat donkere gat. De omweg die ik in Google Maps had gezien blijkt in de praktijk onvindbaar. Ik kom op een industrieterrein terecht, rij op en af door een groezelige buitenwijk van Lecco en lijk steeds verder van Bellagio vandaan te geraken, verstrikt in een wirwar van smerige weggetjes.
De TomTom op m’n iPhone brengt redding. Hij leidt me door de hitte en straatjes waar je niet hoort te fietsen opnieuw naar de tunnel en daar sta ik dan opnieuw. Vol twijfel of ik het zal wagen. Ik raap alle moed bij elkaar en rij naar binnen, m’n helletocht tegemoet.
De eerste honderd meters gaan nog wel, tot hier dringt nog enig buitenlicht door. Maar na een flauwe bocht is er alleen nog een spaarzaam kunstlicht. Ik probeer zoveel mogelijk rechts te houden, vlakbij de akelige, circa twintig centimeter hoge stoeprand. Als ik die raak klap ik tegen de grond, dat is zeker. Maar teveel naar links durf ik ook niet. Zonder achterlicht ben ik in het halfdonker als fietser voor de autobestuurders zo goed als onzichtbaar.
Na vijfhonderd meter durf ik niet meer. Ben bang in een kuil te rijden, de stoeprand te raken of m’n evenwicht te verliezen. Ondertussen scheuren de auto’s, de vrachtwagens en motoren langs me heen. Een eeuwigheid duurt dat telkens. Je hoort het aanzwellende kabaal van de motoren en banden al als ze nog heel ver weg zijn. En dan duurt het en duurt het voordat ze je voorbij komen. Waar ben ik aan begonnen?



Ik stop en ga de stoep op. Even overweeg ik terug te lopen. Maar wat dan? Nee dat is geen optie. Ik stap op m’n fiets en rij voorzichtig verder op de circa tachtig centimeter brede betonnen rand naast de rijbaan. Oppassen dat ik er niet af val, maar ik mag ook de ruwe tunnelwand niet raken. Toch, ik kom vooruit al is het einde van de tunnel nog niet in zicht.
Er komt geen einde aan. De stoep is vlak, maar ik pas toch maar heel goed op. Er zal maar ergens een gat zitten. Niet aan denken gaat het door m’n hoofd. Rustig blijven. Uitkijken dat ik niet tegen één van de uitstekende verkeersborden bots.
Plotseling wordt ik ingehaald door een fietser. Een mountainbiker rijdt in rap tempo over de rijbaan. Op z’n zadelbuis een knipperend rood achterlichtje. Dat had ik dus ook moeten hebben. Ligt echter thuis in de schuur. Ik zie hem steeds verder bij me vandaan fietsen. Het felle knipperlicht is ook in de verte  goed zichtbaar.
Stom dat ik niet meteen met hem mee ben gefietst schiet het door m’n hoofd. Ik had voor hem kunnen rijden. Met hem achter me had ik geen gevaar gelopen. Ik kan niet beslissen, zie hem steeds verder weg rijden. Dan ineens besluit ik het alsnog te doen. Ga de rijbaan op en schakel de ketting op het buitenblad. Ik rij als een bezetene. Het is alles of niets, de dood of de gladiolen. M’n hart bonkt in de keel.
Gelukkig haal ik de mountainbiker snel in. Ik groet hem en geef aan dat ik voor hem ga rijden. Hij snapt het want hij gaat in m’n wiel zitten. Tja, ik ben natuurlijk een mooie gangmaker. Maar dat  interesseert me geen zier. Sterker, ik wil niet anders dan dat hij van mijn kopwerk profiteert.
Het eind van de tunnel is snel in zicht. We rijden een paar honderd meter in het felle daglicht en dan komt er nog zo’n lange gang. Maar de schrik is weg met de mountainbiker achter me. Ik ben zichtbaar. God zij dank. Ik moet natuurlijk wel zorgen dat ik hem niet kwijtraak. Niet te hard, anders moet hij misschien lossen. Ik kijk een paar keer om, maar hij zit keurig achter me.
De tweede tunnel is nu ook snel gepasseerd. We volgen de prachtige, bochtige weg langs de boorden van het meer richting Bellagio. Ik voer het tempo iets op, bevrijd als ik me voel. De mountainbiker volgt en kilometers langs doe ik uit dankbaarheid kopwerk voor hem. Dan ineens hoor ik ciau zeggen en zie ik hem remmen en een parkeerplaats op rijden. Zal wel een strandje opzoeken, want daar barst het hier van. Ontspannen fiets ik verder. Op naar de Monte del Ghisallo.


Google Maps
Het moet de ‘koninginnenrit’ worden van deze vakantie waarin mijn dochter Nelleke en ik de tweede week doorbrengen in Menaggio aan het schilderachtige Comomeer. Een goeie 120 km met twee flinke beklimmingen heb ik met behulp van Google Maps bedacht, dat is niet al te veel. Hoewel, ik heb de laatste vijf zes weken voor de vakantie bijna niet gefietst. 
Dit jaar heb ik vanaf januari veel kilometers gemaakt. Ruim achtduizend staan er op m’n tellertje en dat is meer dan ooit zo halverwege het jaar. Als ik op 9 juni met mijn Alter Egomaatjes Rick en Erik de zware cyclowedstrijd Les Trois Ballons rij is het punt van verzadiging al enkele weken eerder bereikt. Een week later, op 17 juni, smaakt de GF Eddie Merckx nog als een lekker toetje, maar eigenlijk is de eetlust dan al op. Nou ja, de lust om te fietsen welteverstaan. Zin in eten heb ik wel. Maanden heb ik me ingehouden en nu mag het weer...
Als ik op 23 juli samen met Nelleke richting Italië rij is het resultaat goed te zien. Ik heb een vette pens van al dat vreten (en zuipen). De conditie is waarschijnlijk ook naar de kloten. Hoge verwachtingen koester ik daarom niet van deze vakantie. Zo nu en dan een stukje fietsen is genoeg. Maar de fiets thuis laten is geen optie.
We belanden na een overnachting in Koblenz en een ritje langs de Rijn op camping Etang des Forges in Belfort aan de voet van de zuidelijke Vogezen. Ja, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Hier stonden we in juni ook toen we de Trois Ballons reden. Ik ken de camping dus. Maar ook de wegen in dit deel van de Vogezen.
Aan de beklimming van de Ballon d’Alsace, die op slechts 25 km afstand  van Belfort ligt, bewaar ik geen goede herinneringen. Hier ging ik vijf weken eerder kapot. Kreeg de 25 (met voor een 39) nauwelijks meer rond. Het voelde zo slecht dat ik bijna de slotklim van de 3B naar La Planche des Belles Filles (zat ook in de Tour van dit jaar) had gelaten voor wat hij is. Ben toen toch maar naar boven gereden en dat viel me niet eens tegen.

Tijdens mijn tweede bezoek aan de Vogezen is de Ballon d’Alsace er niet makkelijker op geworden. OK, ik ben niet goed getraind en een paar pondjes te zwaar, maar ik heb nu niet net als toen ruim 160 km in de benen. Toch zie ik behoorlijk af. Ik kom weliswaar boven, maar lekker is anders.
Een paar dagen later doe ik er een schepje bovenop. Eerst de Ballon de Servance  en daarna de Ballon D’Alsace vanaf Le Thillot. De Servance  zit ook in de 3B en toen was het goed te doen. De eerste kilometers gaan nu ook vlot, ik haal een andere renner in maar die heeft een rugzakje, dus die neem ik niet echt serieus.
Maar naarmate het steiler wordt gaat de snelheid eruit. Te zwaar, te weinig gefietst, denk ik. Dat komt er van. Ik sta op de trappers, zit achterop m’n zadel, niks helpt. Het is één grote lijdensweg. De renner met het rugzakje komt dichterbij zie ik. Op een iets beter lopend deel rij ik weer wat bij hem weg, maar dan volgt er weer zo’n gemeen steil stuk en zie ik hem weer naderen.
Het wordt niet vlakker, integendeel. Ik voel dat ik dit niet lang meer volhou. Als je dat gaat denken moet je heel snel op de top zijn anders ben je verloren. En dat gebeurt. Ik moet stoppen en uitblazen. Wat is dit? Afstappen? Dat is me voor het laatst twintig jaar geleden gebeurt.
De renner met het rugzakje komt voorbij. Hij zegt niets. Wat een klungel zal hij wel denken. Rijdt me eerst voorbij en moet dan afstappen. Ik voel me een beginneling. Maar goed, het leven gaat door, net als de weg en ik ploeter verder. Voor de top moet ik er nog een keer af, het zal me nu een rotzorg zijn. De renner met het rugzakje is toch al lang weg. Die doet gewoon nog eens honderd kilometer, ik moet alleen die Ballon nog over.
Die kom ik dus over, al is het op dezelfde ellendige manier. Krakend en piepend bereik ik de top. Het afdalen gaat me gelukkig nog wel redelijk af. Beter dan die twee oude mannen die op de smalle, bochtige afdaling van de Servance een auto hebben geraakt. Ze zaten met bebloede koppen langs de kant terwijl er vijf of zes hulpverleningsvoertuigen met gillende sirenes de berg op stoven. Beetje overdreven, maar voor de jongens achter het stuur een buitenkansje eens lekker gas te geven
Terug op de camping in Belfort besluit ik mijn verzet eens te bekijken. Zou daar het probleem zitten? Ik tel de tandjes van het grootste tandwiel en kom tot 23. Ik tel nog eens. Heb ik dan toch de 11-23 cassette nog staan? Normaal rij ik heuvelachtig terrein met een 12-25. Die cassette ligt kennelijk nog thuis. Ben ik dus vergeten te monteren. Tja, dan is het ook niet zo vreemd dat ik moeite heb die colletjes op te komen. Ik ben geen Bernard Hinault.
Ik besluit een echte bergpion te kopen, want die 25 is ook een beetje aan de zware kant voor hier en met mijn huidige conditie. In Zuid-Limburg gaat het wel, maar als de hellingen langer worden draait een 27 toch fijner.
Het bezoek aan verschillende winkels in Belfort levert echter niets op dus ga ik een kleine week later aan het Comomeer op zoek. In Menaggio, waar we een appartement hebben, is geen fietsenwinkel. Uiteindelijk vind ik een 12-27 in een winkel  in Como. Shimano 105, goed zat en nog steeds 50 euro. Nu moet het beter gaan.


Broeierig warm
Mijn koninginnerit begint met een boottocht. We varen van Menaggio naar Varenna aan de overzijde van het Comomeer. Het is zoals elke dag broeierig warm, dertig graden en meer. Maar op het water is dat geen probleem. In Varenna ook niet, want dat ligt rond half elf nog deels in de schaduw. We vinden een terrasje aan het water in het oudste deel van dit schitterende plaatsje. Alle dorpjes langs het meer zijn prachtig maar Varenna spant de kroon.
De fiets staat echter klaar en na een half uurtje op het terras wil ik niet langer wachten. Het is al bijna middag en ik moet nog beginnen.We nemen afscheid en ik pak de weg naar Bellano.

Dat is goed te doen. De wegen langs het meer zijn licht glooiend met hier en daar een klein klimmetje. Goed asfalt, prachtige vergezichten. De meeste fietsers zie je ook hier. Wielrenners kun je ze niet noemen al zien de meesten er met hun dure carbonfietsen nog zo professioneel uit. Maar onder de flitsende, strak zittende pakjes verraden de vette ruggen en ongeschoren benen veel. Die fietsen hooguit in de vakantie een paar kilometer langs het meer.
In Bellano neem ik de Strada Provinciale 62. Die heeft ook vaak in de Ronde van Lombardije gezeten en dat is een beetje waarom ik deze route heb gekozen. Eens kijken wat dat voorstelt, deze najaarsklassieker, want een goed beeld heb ik er niet van. Is hij zo zwaar als ze zeggen? En als Philippe Gilbert hier twee keer achtereen heeft kunnen winnen, is het dan wel een echte klimwedstrijd? Van de andere kant, er staan alleen maar kanjers op de erelijst, dus makkelijk zal het zeker niet zijn.
De eerste klim bewijst dat meteen. Het percentage schommelt rond de 10 procent schat ik. Ik kan de 25 rijden, maar schakel toch maar naar de 27. Die kan ik hier goed rond krijgen. Zoals de boys van Sky dat deden in de Tour. Hoog en strak tempo draaien, rustig op de fiets. Mooi was dat. Ik voel me goed.
Tot het plaatsje Vendrogno is het acht kilometer klimmen. Ergens halverwege zie ik twee fietsers voor me. Ze trappen flink door want ik haal ze niet heel snel in. Dichterbij zie ik dat het een man en een vrouw zijn. Even denk ik dat ze rugnummers op hebben, maar het blijkt een vlak in hun wielerkleding. 

De man is veteraan zo te zien, maar de vrouw is nog vrij jong. Waarschijnlijk een wedstrijdrijdster. Ze praten met elkaar, pff, die hebben nog lucht over. Ik zet even aan, passeer de twee, maar zie dat ze niet al te ver achterop raken. Ha, ze hebben het tempo verhoogd. De man rijdt nu een stukje voor de vrouw, die kan kennelijk niet volgen. Maar ze komen niet meer dichterbij en even later zie ik ze niet meer.
Ik bereikt Vendrogno en neemt de smalle weg naar Tareno. Hier gaat het snel omlaag. Later zie ik dat ik ook verder omhoog had gekund via de SP66 en de SP67. Dat doe we later maar een keer. Na Tareno eindigt de korte afdaling en begint een gemeen lang stuk vals plat. Ik heb wind tegen, de weg is breed en recht, er zijn vrachtwagens en de omgeving is niet erg stimulerend. Veel industrie hier in deze vallei, de Valsassina. Ik passeer de ene fabriek na de andere maar er is weinig te beleven. Weinig verkeer en het hoertje dat verveeld langs de kant van de weg staat kan ook niet bekoren.
Het blijft maar stijgen en met de wind tegen op deze brede weg in deze vallei vreet dat energie. Ik heb ‘s morgens weinig gegeten, maar ik heb er nog geen last van. Met twee repen en twee gelletjes denk ik het te redden... Voorlopig is dat ook het geval. Ik bereik de Col de Balissio en daal af naar Lecco.
Afdalen in Italië is één van de mooiste onderdelen voor een wielrenner. Nergens is volgens mij het asfalt zo glad (er ligt geen steentje, alsof de wegen worden gestofzuigd), nergens lopen de bochten zo prachtig en nergens ook gaat het zo steil naar beneden. Duizelingwekkend is het om over de brede, bochtige weg dwars door dorpjes naar Lecco af te dalen. 

Wat moet dat een kick zijn voor de profs als hier de weg vrij is en je omgeremd naar beneden kunt vallen. Maar ik moet toch een beetje oppassen, het blijft tenslotte een weg door de bebouwde kom.
Ik kom in Lecco en zoek de weg naar het meer. Van daaruit wil ik naar Bellagio op de punt van het schiereiland want daar begint de Passo del Ghisallo. Die moet je echt oprijden heeft een collega van RTV Oost me onlangs via Twitter nog gezegd. De Ghisallo is een monument in de Ronde van Lombardije, zoiets als de Cote de la Redoute in Luik-Bastenaken-Luik. En ovenop staat een beroemd kerkje  en daarnaast een wielermuseum. Dat wil is dus wel eens zien.
Maar met de zoektocht naar een weg waarmee ik de tunnels langs het meer kan omzeilen verspeel ik veel energie. De spannende tocht door de tunnels heeft me ook geen goed gedaan. Een hongerklop dient zich aan en met veel moeite bereik ik Bellagio.
De klim naar de Ghisallo begint Bellagio, maar ik besluit door te rijden om ergens iets te eten. Met die paar repen en gelletjes red ik het vandaag niet, dat is me wel duidelijk. In een barretje in de hoofdstraat draait de met een paardenstaartje uitgeruste eigenaar muziek van Pink Floyd. ‘You like this?’, vraagt hij mij. Dat hij er van houdt is wel duidelijk. Gelukzalig kijkend zingt hij de nummers uit The Wall mee. Woon je in het schilderachtige Bellagio en droom je van ‘Pieeenk Floyyyd’. Ondertussen maakt z’n nors kijkende echtgenote een warme sandwich met spek en kaas voor me klaar.
Die sandwich heeft niet tot effect dat ik veel meer kracht in m’n benen voel merk ik als ik weer op het zadel zit. Het is verschroeiend heet, ik gooi het laatste gelletje er in, drink een halve bidon leeg, maar helpen doet het niet.
De Ghisallo is niet eenvoudig. Tien kilometer lang en met een gemiddeld stijgingspercentage van 5,2 procent, dat lijkt niet zo veel. Maar het grootste deel van de 552 hoogtemeters overbrug je in de eerste vijf kilometer en daar is het dus hellingspercentage dus bijna 10 procent.
Met slechte benen en in de warmte zo laat op de middag is het een onding, die Ghisallo. De 27 maakt het niet veel makkelijker en voelt nu als de 23 in de Vogezen. Ik heb de beelden op YouTube van de Ronde van Lombardije in m’n hoofd en zie hoe de profs hier omhoog rijden. Ondertussen zwoeg ik en zie ik af als een beest. Gatverdarre. Dit had ik me toch anders voorgesteld.
M’n weerstand neemt af, merk ik. Dit ga ik - opnieuw - niet heel lang meer volhouden. Maar de weg blijft klimmen. Ik besluit even een pauze te nemen. Is toch geen mens in de buurt en na dat afstappen in de Vogezen ben ik deze grens toch al over...
Over m’n stuur hangend blaas ik even uit. Ik kom wat bij en stap weer op. De eerste honderd meter lijkt het alsof het beter gaat, maar dan komt die pijn in de benen weer terug. Rustig blijven nu en kalm een ritme zien te vinden. Niet te hard willen, want dan blaas je jezelf op, hou ik mezelf voor.
Zit ik trouwens wel op de Ghisallo? Ik zie nergens borden die aangeven dat ik op de goede weg ben. Moet je je voorstellen dat ik een hele andere klim rij. De aanduidingen langs de wegen in Italië zijn niet best. Soms is er echt geen wijs uit te worden. Dan zie je allemaal namen van plaatsjes die je nergens kunt terugvinden en nergens de namen die je nodig hebt om je richting te bepalen.
Het stuk met de vele haarspeldbochten kort achter elkaar komt me echter bekend voor. Daar heb ik een foto van gezien. Ik besluit er zelf ook een te maken en stap weer af. Op de boom waar ik m’n fiets tegenaan wil zetten zitten een hagedis. Zo eentje waar het hier van stikt. Het beestje blijft roerloos zitten als ik met de fiets dichterbij kom. Pas op het laatste moment, net als ik de fiets tegen de boom wil zetten, schiet hij ineens weg. Ik heb hem niet zien bewegen. Tjonge, ben ik zover heen?
Er komt een Italiaan aangelopen die me ook al eerder heeft gegroet. Bongiorno, zegt hij opnieuw. Hij  zegt wat in het Italiaans. Ik versta er geen barst van en zeg dat ik Hollandese  ben. ‘Ah, Hollandese’, antwoordt hij en loopt in zichzelf pratend door. Wat zal hij denken?
Het steilste stuk zit er na de haarspeldbochtjes op. Het loopt nu bijna vlak en zelfs een stukje omlaag. De laatste kilometer moet ik weer aanzetten, een klein stukje van bijna tien procent. Maar ik zie de top en zowaar, er staat een bordje met Madonna del Ghisallo. Er is ook een finishlijn. Op 754 meter. Ik besluit er een foto van mezelf te maken. Voor het archief.
Ik rij een stukje door naar het kerkje waarvoor de bronzen borstbeelden van de grote Italiaanse wielerhelden staan, Coppi en Bartoli. Maar ik krijg niet echt de tijd ze goed te bekijken want een Amerikaan spreekt me aan. We raken aan de praat. Hij had me onderweg zien staan, zegt hij vriendelijk. Hij had overwogen me hulp aan te bieden. Ik zeg hem dat ik blij ben dat hij niet is gestopt. Shit, wat is er met me aan de hand?.
Ik besluit verder te gaan. Het wielermuseum naast het kerkje laat ik voor wat het is. Ik heb wel wat anders aan m’n hoofd. Het is al laat in de middag en ik moet nog in Menaggio zien te komen. Als het goed is volgt nu een lange afdaling naar het meer. Nesso, daar moet ik heen.
Er volgt inderdaad een afdaling, maar die is niet zo lang en ik kom bij een kruispunt. Ai, waar naar toe? Ik besluit richting Rezzago en Gaglio te rijden, want dat gaat naar beneden. Maar ik voel me niet zeker van m’n zaak en vraag na een paar kilometer in een dorpje een tegemoet komende oudere Italiaan op een racefiets of dit de weg naar Nesso is. Nee, dus. Hierlangs daal ik af richting Como. Als ik naar Nesso wil moet ik eerst de Pian del Tivano over. Vijf kilometer klimmen. En daarna gaat het tien kilometer naar beneden, naar Nesso, zegt hij om me moed in te spreken.
Pff, daar had ik niet op gerekend. Nog eens vijf kilometer omhoog met die hitte en pap in de benen. Maar ik heb geen keus. Dit is de kortste weg. En ik begin weer te klimmen. Gelukkig is deze pas niet supersteil. Maar hij trekt wel gestaag door. Ik kom niet van de 27 af. Het is opnieuw zwaar, zwaar, zwaar. Gesloopt bereik ik de top op 1125 meter. Heb ik toch ruim 600 hoogtemeters geklommen die niet waren voorzien,.Het is me het tochie wel. Ik bel m’n dochter om te zeggen dat ik met een uurtje thuis hoop te zijn. Tegen die tijd is het half acht.
De afdaling is opnieuw zoals ik die hier gewend ben geraakt. Razendsnel en spectaculair. Je voelt je als in een achtbaan. Dit is wel het mooiste van fietsen in Lombardije. Al blijft het uitkijken. Vooral de motorrijders stormen hier omhoog en snijden - net als ik - waar ze kunnen de bochten af. Die denken op elk bergweggetje dat ze op het circuit van Monza zijn. Of ze naar beneden gaan of omhoog, ze rijden altijd even hard.
Na de flitsende afdaling bereik ik Nesso. Nog een stukje langs het meer en dan in Bellagio op de veerboot naar Cadenabbia. Vandaar is het nog een klein stukje naar Menaggio. De weg langs het meer is een makkie. Wel bezorgt een motorrijder me nog even de schrik van mijn leven. Hij komt van achterop en maakt met zeker 100 km per uur een slingerende wheelie terwijl hij me passeert. Een tegemoet komende automobilist kan hem nog net ontwijken. Op dit moment ben ik die Italiaanse pubers met hun motoren en scooters helemaal zat. Ze laten geen gelegenheid voorbij gaan om gas te geven en te showen wat ze kunnen. Ze mogen zich van mij te pletter rijden. Nou ja, bij wijze van spreken dan.
Leeg kom ik in Bellagio aan, waar de veerboot op punt van vertrekken staat. Ik nestel me ergens op de voorplecht, waar ik maximaal hoop te profiteren van het beetje frisse wind op het meer. De boot vertrekt en ik ga vooruit. Zonder te trappen dit keer.



Met Nelleke op het terras in Varenna, de fietsbroek heb ik al aan.





Geen opmerkingen: