woensdag 26 oktober 2011

De pechvogel had geluk

Henk stapt de kantine binnen met de linker crank van zijn crossfiets in zijn hand. ‘Konden jullie niet even wachten? Ik riep nog, maar jullie reden gewoon door’, zegt hij verontwaardigd. We kijken hem aan. Meent hij dit serieus? Man, het was koers, dan hoor je echt niet wat iemand achter je roept.
Het dringt pas later tot me door wat er is gebeurd. Bij het aanzetten is de as van de crank afgebroken. Hij had lelijk kunnen vallen, maar dat is kennelijk niet gebeurd. Ik kan het hem ook niet meer vragen, want Henk is al weg. Kon met iemand in de auto meerijden naar huis. De pechvogel had geluk.
Ik zie in gedachten het bizarre tafereel weer voor me. Henk die gesecondeerd door Eric en Matthijs met de crank in de hand binnenkomt. Henk met die speciale blik, de twee anderen met een grijns, want ze hebben hem het hele eind terug moeten duwen. Tja, trappen ging niet meer.
Het is een gek einde van weer zo’n snoeiharde veldrit door het Twentse land. Bijna dertig kilometer per uur gemiddeld hebben we gehaald als we in Denekamp arriveren. De Rabo Kottelpeer'n Classic is vijftig kilometer lang en bestaat uit bospaadjes en verharde en onverharde wegen. Mijn hemel. Kan het nog harder?
Erik en Rick waren dit keer te sterk voor mij. Maar ze hadden wel een beetje hulp. Wat heet. Als oud-profwielrenner Maarten Nijland, ook al rijdt hij op een mountainbike, een handje helpt wordt het lastig een eenmaal geslagen gat dicht te rijden. Erik zat goed, want die zat in het wiel. Maar Rick en ik hingen achter een paar langzame mannen die de doorgang blokkeerden.
Maarten reed met Erik weg en ik kreeg het gat niet dicht. Geen schande natuurlijk als die twee hardrijders gas geven. Des te knapper was het dat het Rick wel lukte de kloof te overbruggen. Petje af hoor. Dat was geen geringe inspanning. In ieder geval ging hij mij te hard en reed ik de laatste tien kilometer alleen.
Het was een goede gelegenheid even tot bezinning te komen. Want dat fietsen is allemaal hartstikke leuk, totdat je een keer hard op je hoofd valt. En wel zo hard dat je er wat aan overhoudt.
Recent weet ik van vier renners die dat is overkomen. Twee hebben een jarenlange revalidatie achter de rug. Ze leven met de wetenschap dat het nooit meer wordt als vroeger. ‘Ik moet leven met een smalle bandbreedte’, noemt één van hen dat. Hij moet tevreden zijn met wat hij nog kan.
De twee anderen vielen in het voorjaar en zitten nog in hun herstelproces. Maar dat proces verloopt traag. Ze zijn nog lang niet weer de oude en ze weten ook niet hoe lang dat nog duurt en wat het eindresultaat zal zijn.
Wat moet je ermee? Wielrenners vallen. Meestal loopt het goed af. Een paar jaar geleden ben ik op één avond twee keer met m’n hoofd op het asfalt gestuiterd. Ik had niets. Natuurlijk kwam dat door de helm, maar die hadden de anderen ook op. Zij hadden pech.
Hun verhalen hebben me meer bewust gemaakt van het belang van de valhelm. In mijn geval zorgde hij er voor dat ik zonder schade verder kon, bij die vier anderen heeft hij er waarschijnlijk voor gezorgd dat ze er nog zijn .
Als ik nu zo’n stoere man op z’n racefietsje zie rijden met alleen een mutsje op dan denk ik wel bij me zelf: weer iemand die niet beseft wat er kan gebeuren. Als je met je voeten in de clickpedalen wordt aangereden of over een stomme steen rijdt die je niet zag liggen is zo'n val sneller gebeurt dan je denkt.
Iedereen moet zelf weten of hij wel of geen helm draagt, maar onaantastbaar zijn we geen van allen. Ik blijf wielrennen, want dat is volgens mij geen onveilige sport. Maar zonder helm zie je mij niet meer op de weg of ik het bos.

Geen opmerkingen: